Als ik de Limes wil zien

 

Deze maand, september 2018, is het exact 13 jaar geleden dat wij de sleutel van een nieuwbouwhuis in Leidsche Rijn Utrecht kregen. Sommige vrienden van ons reageerden alsof we naar een gebied vertrokken waar de geschiedenis nog moest beginnen.

En zo voelde het ook toen we op een waterige zaterdagmiddag de auto op een zandvlakte parkeerden en we met een baby in een plastic bakje en een baby in de buik uitstapten, om te kijken waar dat huis van ons nou precies kwam te staan. In dat huis kregen we nog meer kinderen. We eindigden met een kwartet.

Toen kwam de dag waarop de eerste boomtop boven een huis uitstak. De bladeren, die niet door een ijverige gemeentereiniger werden opgeveegd, legden een laag over de aarde en onttrokken het prille verleden alweer aan het zicht.

Een crematorium werd geopend. We vervingen een rotte lat in het raamkozijn. Het terras zakte langzaam weg in de tuin. De luierdampen trokken op en langzaam aan begon ik die fonkelnieuwe wereld om mij heen te verkennen. Fietstochtjes door de buurt, werden fietstochten door de wijk, die op hun beurt weer tochten door de provincie werden totdat ik zelfs die uit fietste. Dat kwam zo.

Mijn haren werden de grijs. Dus ik kocht een racefiets en een fietsbroek met zo’n matras erin. Het is dat of een andere man. Vrij vlot daarna volgde er een caravan met lelijke gordijntjes en blauwe kussens. Als je het doet, moet je het goed doen.

In de loop der jaren bleek die ‘nieuwe wereld’ waarin wij woonden, helemaal niet zo nieuw als gedacht. Met je verstand weet je dat ook wel, maar soms is er ‘iets’ meer voor nodig om je dat ook echt te laten voelen. Wanneer gevoel en verstand komen, worden dingen pas echt ‘waar’.

Dat ‘iets, daar zorgden de archeologen wel voor. Telkens wanneer men in Leidsche Rijn aan de toekomst wilde gaan werken, schraapte zij eerst alle lagen van het voorbije nu weg. Net zolang tot ze weer bij een ander punt uitkwamen wat ook ooit ‘nu’ was geweest.

Ik herinner me een enthousiaste mensenmassa, toen een dieplader, het schip de Meern dat in Veldhuizen uit de klei was gepeuterd en daarna in Lelystad tegen het nu was beschermd, op een dag naar ons nagebouwde castellum bracht. Een hijskraan hees het ding onder luid applaus naar binnen. Het schip ligt nu als een navelstreng van de tijd in de hal van het Castellum Hoge Woerd. Elke keer als ik daar kom moet ik weer een bij  dat schip kijken en de vitrines, die vol liggen met spulletjes van de schipper: zijn schoenen, zijn pennen, zijn etensresten, zijn blokschaaf, zijn zaag, de poten van zijn slaapkamerkastje.

Hij was hier ook nieuw. Goed voor een besef tot in het diepst van je vezels; wij hier, nu, zijn helemaal geen pioniers. Ook vóór ons waren er mensen die dachten dat ze in een nieuwe wereld terecht waren gekomen. Mensen die sliepen, die aten, die zwoegden en lachten.

Toch duurde het nog even voordat bij mij het besef kwam dat Castellum Hoge Woerd, geen plek op zichzelf was. Dat het eigenlijk een parel aan een historische ketting is. Een ketting, die onder de grond met de Rijn meeslingert door het land en die parels maar spaarzaam haar prijsgeeft. Omdat sommige parels door kolkend water zijn weggespoeld of dat er zoveel lagen overheen zijn gelegd, waar we soms niet onder kúnnen kijken omdat er nu nog steeds mensen wonen en werken; ja leven! Had ik het geweten, dan had ik de Limes zeker eerder gezien. Maar zoals Johan Cruijff ooit zei: Je gaat het pas zien als je het doorhebt.

Natuurlijk waren er aanwijzingen. Ik las in het Huis Aan Huisblad over nagebouwde Romeinse schepen in Woerden waar je een tochtje mee kon maken. Met de caravan achter de auto op weg naar onze voorseizoensplek in Katwijk aan Zee, reden we onder een viaduct met de naam Nehalennia door. De kinderen gingen op schoolreisje naar Archeon. Katwijk aan Zee; daar waar de Rijn de zee instroomt.

Elke weekend op weg naar ons huisje aan zee passeerden we aan de rand van Leiden een kantoortoren waar Limes op stond. Even later stonden er langs de weg vreemde spitse grijze naaldboompjes, die mijn gedachten onwillekeurig naar de Via Appia deden afdwalen, waar we ooit waren. Voor iemand die eindexamen Latijn deed, drie keer naar Rome is geweest, ging het belletje nog vrij laat rinkelen.

Als ik de Limes wil zien…

Vrijdag 24 augustus 2018 fietste ik samen met mijn man etappe 3,4 en een deel van 5 van de Limesroute op zoek naar nog meer parels voor aan de ketting en we vonden ze!  Bij Fort Vechten, bij  Wijk bij Duurstede, bij Kesteren. We zagen de appel -en perenbomen in de Krommerijnstreek. Ooit meegenomen door de Romeinen. Meermaals verzuchtten we bij het zien van zulke mooie landschappen op de dijken, tussen de bomen, temidden van de weilanden: ze zijn echt gestopt op het hoogtepunt die Romeinen!

Toch sprong er één parel uit die dag. Niet omdat hij groter of glanzender was dan de andere parels, maar omdat we hem echt zelf vonden.  En geef toe: per toeval een parel vinden is stukken opwindender dan eentje die je ergens in een vitrine kan bekijken.

We waren nog geen kwartier aan het fietsten toen ik op de Rijksstraatweg in de Meern Herre Wynia zag staan praten met een groepje mensen. Archeoloog bij de gemeente Utrecht. De combinatie Herre, het achtergelegen nieuwbouwproject Rijnvliet, deed een belletje rinkelen in mijn hoofd. Had ik Erik Graafstal, een andere archeoloog een paar maanden geleden tijdens een lezing bij de Historische Vereniging Vleuten de Meern niet horen zeggen dat hij hoopte bij Rijnvliet een stuk Limes te vinden?

Ik draaide mijn fiets om en reed naar Herre en zei: ik ben vandaag op pad om de Limes te zien, om op 3 september een leuk verhaal te kunnen vertellen. Hebben jullie misschien heel toevallig, het zou wel erg leuk zijn als…

'Ga maar kijken, we hebben hem afgelopen maandag gevonden.’'

Ik ben blij dat ik nu eindelijk echt kan zeggen: 'Ja, ik heb echt de Limes gezien.'

Marieke Dubbelman

Zelf ook een (een stuk van) de Limesroute fietsen? Hier vind je meer informatie.